Michael Sembello en mijn hardloopschoenen trappelen bij de voordeur. Ik kijk naar buiten. Het regent en ik twijfel. Vier keer loop ik langs hen en haal ik mijn neus op, de vijfde keer stap ik erin, tik op play en verlaat het huis. Langs het koffiehuisje is altijd even gĂȘnant, maar dan wijst mijn neus al richting de uiterwaarden. De lauwwarme regen neemt mijn mascara mee en Michael jaagt me naar de battlefield. Letterlijk. In de uiterwaarden ligt een WO 2 historie van formaat. Er staat een kerkje in, dat gediend heeft als militair hospitaal. Het is beschoten, er zijn nog gaten zichtbaar in de muur. Het is een heerlijk vertrekpunt voor een hardloopparcours in alle vrijheid. Langs de koeien en paarden, de oude knotwilgen en de sloten omringd door korenbloemen en klaprozen. Ineens denk ik aan de "band of brothers" en mijn dierbare vriend die alles van dit gebied weet en er zoveel passie op losgelaten heeft. Ik mis hem. En ik loop. Ik loop met Michael onverwacht onvermoeibaar en dwars door de natuur. Totdat ik me bedenk dat ik even moet stoppen voor de terugweg door het dorp. Bij het kerkje. Bij de grafstenen en het monument dat "none shall be forgotten" zegt, en een grote Poppy draagt. Oordopjes uit. De Poppy is mooi, de 11e van de 11e om 11 uur. Niks stompzinnig carnaval. Als ik terugloop door het dorp ben ik moe en bezweet. Er loopt een man met een bladblazer zijn stoep schoon te blazen. Hij heeft zijn gehoorbescherming op en ik mijn oordopjes weer in. Als ik langs loop gebaar ik hem even in mijn gezicht te blazen. Voorzichtig begint ie bij mijn tenen en eindigt op mijn kruin. Life's nice.