Laatst zat ik in de kerk. Daar was een reden voor. Voor mij zat een klein jongetje. Zijn stoel leek wel zes keer groter dan de mijne. Maar het was dezelfde soort stoel natuurlijk, er stonden er zeshonderd van. Het jongetje was zo klein. Benjamin droeg een klein groen t shirtje en een versleten spijkerbroekje. Zijn haartjes glansden blond en zijn roze zachte oren staken wijd vanaf zijn hoofdje. Hij had ongelooflijk grote blauwe ogen die nieuwsgierig om zich heen keken. Onder zijn groene t shirtje vandaan stak het slangetje van sondevoeding. Aan zijn neus hing een slangetje voor zuurstof. Zowel de zuurstof als de sondevoeding waren weggewerkt in een mooie mobiele tank die naast zijn stoel stond in het gangpad. De opa van Benjamin schuift aan in de rij. Hij loopt langs Benjamin, pakt hem bij zijn flapoor, geeft hem een zoen op zijn blonde haartjes en zegt "Hey knul, goedemorgen, hoe is het met jou?". Benjamin straalt. Zijn grote blauwe ogen zijn ape trots dat zijn opa hem als knul aanspreekt en hem een gezonde vraag stelt. Opa is direct mijn held. Die kan niet meer stuk. Zat ik mijn tranen al weg te drukken zodra ik de slangetjes uit Benjamin zijn hoofd en buik ontdekt had, opa weet beter. Opa is een kanjer. Benjamin heeft wat aan opa, niet aan mij. Ik snuf zachtjes mijn traan op en probeer anders naar Benjamin te kijken. Zijn fragiele schoudertjes niet te zien, te bedenken dat spelen in de zandbak niet zo'n must is voor een kind, dat een huisdier aaien echt niet perse nodig is en dat ie waarschijnlijk later heel goed zal kunnen leren sporten met twee tanks achter zich aan sleurend voor zuurstof en voeding. Maar het lukt me niet. Ik blijf verdrietig om het leed van Benjamin en wat hij moet missen. Het is niet eerlijk. Het enige wat ik kan doen is mijn zegeningen tellen. Laat ik daar nu net voor op de goeie stoel zitten. Ik knipoog naar Benjamin als ie achterom kijkt en trek een rare snuit. Benjamin lacht hardop door de dominee heen. Benjamin, wat leren we toch veel van jou, "knul".