23 nov 2015

camouflage

Hoog in de bergen van Frankrijk, een paar uur rijden ten noorden van Nice, daar waar geen elektriciteit meer is, geen route, geen Tankstelle, geen Dixie, geen kaars en geen kraan, word ik op een ochtend in het vroege voorjaar van het jaar 2000 om 05:00 uur wakker. In de open lucht bij een temperatuur van 5 graden onder nul. Ok, er hing een regenponcho aan takken boven mijn hoofd. Mijn haar is kletsnat van het zweet. Ik kruip uit mijn berenlul (sorry, zo heet die slaapzak) en voel me alles behalve fit en gezond. Ik vermoed dat ik een bronchitis of beginnende longontsteking heb. Met mijn wapen om mijn nek als een melkkaart op de kleuterschool (aan een touwtje, want zo slaap je ermee) sta ik bleek rillend in mijn camouflagepak en openstaande kisten de bossen in te kijken hoe de rest ontwaakt. Niemand heeft praatjes, iedereen volgt zwijgend het voorgeschreven ochtendritueel van persoonlijke hygiëne en nat voor droog verwisselen (waarbij nat vervolgens op het lichaam gedroogd moet worden). Het bos is nog in volle winterstand. Er komt bleek licht door de takken. Het licht valt op het blote bovenlijf van Thomas. Thomas staat zich fluitend te scheren. Iemand zegt iets over zijn tatoeage. “Uit een vorig leven” roept hij opgewekt terug, “dan heb je dat aapje op mijn bil nog niet gezien, maar die zal nu wel in zijn holletje zitten!”. Thomas fluit en kijkt opgewekt en vrolijk, heeft ook zijn “melkkaart” om zijn nek en doet zijn ding, alsof we vandaag iets leuks gaan doen met zijn allen en het een voorrecht is om hier te mogen zijn.

Ik vraag me af of ik zonder Thomas gekomen was waar ik een aantal weken later zou staan: op het plein van de KMA om mijn diploma in ontvangst te nemen. Fris gedouched en naturel opgemaakt, voorzien van keurige kousen en opgepoetste zwarte pumps. Mijn ouders trots in mijn kielzog. Eigenlijk deel ik mijn diploma met Thomas, eerlijk is eerlijk. Ik heb alle maanden alle blaren zelf gelopen, alle bepakkingen zelf gedragen, alle wachten zelf gelopen, maar als Thomas er niet geweest was had ik er nu niet zo fijn op teruggekeken. Thomas was de diamant in het peloton. Hij was rebels maar op een leuke manier. Hij speelde het spel mee, maar wist duidelijk beter. Thomas leek feilloos door te hebben dat je bij mij met humor en relativeren het onmogelijke mogelijk maakt. Als ik het zat was te tijgeren met een pistool zonder dat er zand in kwam, plofte Thomas op de dennennaalden naast me neer en roerde zijn koffie met de loop van zijn wapen. Ineens moest ik dan weer zo ontzettend lachen dat íe “ssssst” siste en zei “denk je nou echt Tess dat zo’n ding daar niet tegen kan?” Hij leerde me trucjes met wachtlopen, hoe je warm kon blijven in de nacht in je slaapzak (boterhammen eten, stevig wandelen en dan hup in je slaapzak), waar je je wapen moet schoonmaken en welke delen totaal geen zin hebben om te poetsen omdat die er niet toe doen. Dat je dan altijd de snicker wint omdat je als eerste klaar bent. We leerden dat je moet eten als je kunt eten, en moet rusten als je kunt rusten. Omdat je nooit weet wanneer daar weer gelegenheid voor zal zijn. Thomas leerde me dat je moest lachen als je kunt lachen. Thomas was niet voor niets de informele leermeester uit het peloton. Hoewel hij was aangesteld zoals de rest van ons, had hij op zijn jonge leeftijd al een leven vol ontberingen, gevaar, verlies en overwinningen achter zich. Dat kwamen wij mondjesmaat te weten doordat wij ons verwonderden over zijn authenticiteit. Na de grote vaart was hij bij het korps Mariniers gaan dienen, had het hijgend hert “geschoten” en naar hij zei “alles gedaan wat God verboden heeft” in vrijwel alle landen van de wereld. Daar had hij zijn redenen voor. Maar op een dag gooide hij het roer om en werd predikant. In ons peloton werd hij opgeleid (achteraf natuurlijk volledig ten overvloede) om als legerpredikant binnen de krijgsmacht te gaan werken. Met zijn diploma kreeg hij dan ook meteen de moeilijkste eenheid onder zijn hoede. Laten we zeggen “zij die het woord God nog nooit geschreven hebben en alleen als scheldwoord kennen met nog een stukje erachteraan”. Binnen no time was hij daar “de Doom” en droeg iedereen in de fitnesszaal een shirt met opdruk op de rug van “de Doom”. Veel uitzendingen volgden voor Thomas. Waar trouble was, was de Doom. De Doom was er voor jongens en meiden, mannen en vrouwen die hem nodig hadden, ook als ze dat zelf nog niet door hadden. Ik heb de Doom recent weer ontmoet. Ik liep ineens tegen hem aan. Tien jaar na dato bots ik op Thomas. Ik werd er stil van. Thomas heeft niet stil gezeten, Thomas is mentaal achtentwintig keer zo groot geworden als hij al was. Daar stopt mijn reikwijdte dat te meten. Misschien is het dus wel honderdachtentwintig. Als er iemand lijnen kan verbinden en betekenis kan geven, kan duiden, kan visualiseren, kan delen, kan samenvoegen en zich nog steeds kan blijven verwonderen over hetgeen er nog te ontdekken valt, is het Thomas. En mij laat ie altijd weer gaan met een relativerende grap en een stevige knuffel. Thomas is absoluut mijn enige en mooiste militaire onderscheiding.