Tijdens een lunch in de kantine zitten we gezellig te grappen en te grollen over de bedrijfscultuur. Soms is zelfspot een uitstekend middel om tot inzicht te komen in hoe het ook "anders" kan. Wanneer ik mijn pakje "De Ruijter" hagelslag op mijn witte broodje heb geleegd, vraagt Ab naast me "mag ik dat pakje van je hebben? Dan maak ik er een De Ruyter fabriek van voor bij mijn modelspoorbaan". Ik ben grappen van Ab niet zo gewend en waardeer deze dan ook des te meer. Ik schuif hem het pakje toe en begin te ratelen over mannen van rond de zestig die zo'n mega lelijke spaanplaat tafel van 2 bij 3 meter op zolder hebben staan, met een gat in het midden. Dat deze mannen na het eten tegen hun vrouw zeggen "schat, ik trek me nog even terug, roep je me voor het acht uur journaal?" en dan naar zolder gaan, hun conducteurspet opzetten, hun rood-groene bordje pakken, hun fluitje omhangen en onder de foeilelijke tafel doorkruipen naar het gat in het midden, om daar vervolgens geknield met hun hoofd en schouders bovenuit te kruipen. Rondkijkend vanuit het gat, zakt hun ademhaling en hartslag acuut. 360 graden rond glunderen zij vervolgens naar de modelspoorbaan waarvoor ze een maandsalaris hebben uitgegeven, en die geflankeerd wordt door Franse Alpen van piepschuim voorzien van bruine verf en plastic groene boompjes. "Er zijn heuse wisseltjes in de spoorbaan, spoorwegovergangetjes, perronnetjes, en zelfs kleine winkeltjes waar de imaginaire passagiertjes een kopje koffie kunnen halen!", ratel ik kriegel verder. "En blijkbaar ook nog hagelslagfabriekjes!", gier ik uit zonder naast me te kijken. "Als deze mannen op hun (ahum) fluitje blazen gaat het treintje rijden en houden ze de groene kant van het bordje omhoog! (ik rol van mijn stoel van het lachen) O.M.G. wat een kerels, ze worden er helemaal rustig van dat niemand zich ook maar een meter in de wereld van piepschuim en hagelslag verplaatst zonder dat zij daarvoor het passende signaal hebben gegeven. En als de treinreizigers zich daaraan houden, staat ze een leuk bedrijfsbezoekje aan de De Ruyter fabriek te wachten". Onderhand lopen mij de tranen over de wangen, tezamen met mijn toch redelijke goede mascara.
Maar niemand lacht meer mee, het is zelfs vrij stil ineens aan tafel. En waarom kijken ze naar Ab? Ik draai mijn hoofd naar links. Ab zegt beteuterd "zo'n kerel ben ik Tess".