Buiten is het een grote winderige modderpoel. De wind zit opdringerig in
onze nekken te hijgen en de regen doet er alles aan Wella en waterproof te
weerleggen. Juul en ik ontmoeten elkaar op de luchtplaats. Hadden we niet
verwacht maar we waren er tegelijk. Zij loopt met een knijptang en ik met Droste
chocolade (variant sinaasappel). We zijn enkel gescheiden door het Heras hekwerk
en een paar pollen mos. Zelf heb ik mijn reuze-capuchon opgedaan, maar zij staat
met pas gewassen natte haren in de wind en heeft slechts een knoop van haar
vestje vast. Haar parka hangt nonchalant zijn vrolijk gestipte voering als een
vlag te prijken in windkracht 8. Zelf praten we 10 Beaufort. Wij hebben geleerd
zo snel te praten dat omstanders ons niet kunnen volgen. Wanneer dat wel de
bedoeling is zakken we af naar 5 a 6 Beaufort. Op de luchtplaats waait het wel
vaker zo hard. Ik denk dat als we straks weer in vrijheid leven, we op een
nazomerse dag op het strand nog steeds 10 Beaufort gaan kletsen als de wind
aanrukt. Geleerd in de vrouwen bajes. Gaat er nooit meer uit.
Ik vraag haar waar ze de knijptang vandaan heeft, en zij verwondert zich
over mijn Droste. We ruilen uit door het hekwerk en stoppen al pratend onze
veroveringen in onze grote zakken. Omdat onze tijd samen altijd schaars is,
slaan we de koetjes en kalfjes over en komen direct ter zake. De dagen dat we
elkaar niet zien slaan we alles in ons hoofd op wat we moeten uitwisselen de
eerst volgende luchtplaatsontmoeting. En dat is nu. Er staan twee kleine
voertuigen buiten het hek. We houden ze nauwlettend in de gaten. Wij zien aan de
manier van parkeren dat ze vlak na elkaar zijn aangekomen, en aan de voetsporen
in de modder wie uit welke is gestapt. Wij zijn razend snel. Voor ons weinig
geheimen. We nemen ons “hier en nu” en onze weekopdrachten door, neuzen even
door het Heras hekwerk heen en vervolgen onze luchtpauze. Als de laatst
gearriveerde auto claxonneert, zwaaien we allebei. Onder ons gezegd is onder ons
gezwegen. De strafpleiter is eindelijk geregeld.
